Op planeet 44 was het die dag precies zo warm als altijd, wat betekende dat niemand wist hoe warm het was, omdat er niets anders was om het mee te vergelijken.
Monstertje zat op zijn steen — zijn favoriete steen, de enige steen — en wachtte. Niet op iets. Gewoon wachten, zoals je soms doet als je bijna altijd vrolijk bent en even geen reden nodig hebt.
Toen landde er een kleine jongen.
Monstertje keek. De kleine jongen droeg een sjaal en had het soort ogen dat al veel planeten had gezien. Hij keek om zich heen op planeet 44 en zei niets. Dat vond Monstertje meteen interessant.
Monstertje dacht na. Hij had die vraag nog nooit gekregen. Op planeet 44 was hij de enige die mopjes vertelde, en de steen vroeg nooit iets terug.
De kleine prins knikte langzaam, alsof dat antwoord ergens naartoe ging.
Monstertje rechtte zijn vlinderstrik en zei:
"Waarom lacht een skelet nooit?"
De kleine prins wachtte.
"Omdat hij niks om het lijf heeft."
Er viel een stilte.
De kleine prins keek naar zijn handen. Toen naar de lucht. Toen zei hij, heel zacht:
Monstertje wist niet wat hij daarmee aan moest. Dat was geen reactie op de mop.
Monstertje dacht hier lang over na. Langer dan normaal. Zijn staart krulde een beetje.
De kleine prins keek hem aan. En toen gebeurde er iets bijzonders: hij lachte. Niet om de mop. Om het antwoord.
Monstertje begreep het verschil niet. Maar het klonk hetzelfde. En dat was voor hem genoeg.
Later, toen de kleine prins weer was vertrokken — want kleine prinsen vertrekken altijd — bleef Monstertje op zijn steen zitten.
Hij dacht aan de roos. Aan de vijfduizend rozen. Aan het verschil tussen herkennen en kennen.
Toen vertelde hij de mop nog een keer aan de steen.
De steen zei niets.
Monstertje lachte zelf maar.